Geleerden en filosofen

In de Middeleeuwen was de Christelijke kerk heel machtig. Ze waren als het ware ‘de baas over de wereld’.

De geleerde mensen vonden de bijbel daarom een heel belangrijk boek. Als je die bestudeerde, dan werd je een echte slimmerik. Andere dingen, zoals rekenen, muziek, dieren en planten, mocht je ook wel bestuderen, maar alleen om de bijbel beter te leren begrijpen.

God was dus erg belangrijk in die tijd. Het belangrijkste van alles en iedereen. Belangrijker dan wat er op aarde te zien, te horen en te beleven was.

Veel mensen dachten dat elk ding een taak had gekregen van God. De zon moest schijnen, de koning moest regeren en de boer moest het land bewerken.

In de Middeleeuwen leefde er ook een groep mensen die je wel de ‘denkers’ zou kunnen noemen. Zij dachten na over dingen van het leven. Waarom leven we? Wie is God? Waarom bestaat er een God? Waarom gaan we dood? Wat is de dood? Allemaal vragen, waar je eigenlijk niet zo maar een antwoord op kunt geven. Dat denken over zo’n vragen, noemen we met een moeilijk woord ‘filosoferen’.

 

De leiders van de kerk waren daar niet zo blij mee. Je moest niet proberen uit te leggen waarom God bestond en wie hij was. Je moest er gewoon van uitgaan dàt hij bestond en dat je er naar moest luisteren.

terug