|
Leven rondom het kasteel (boeren)
De vorst kon niet alleen over zijn land heersen. Daar was het te groot voor. Daarom gaf hij de edelen (leenheren) van zo’n gebied stukken land in bruikleen. Het bleef dus van de vorst, maar de edelen mochten er over heersen. In ruil daarvoor beloofden ze de vorst te steunen en voor hem te vechten als dat nodig was.
Ook ging zo’n edelman natuurlijk niet zelf op het land werken. Daar had hij zijn mensen voor. Deze arme mensen ook wel ‘horigen’ of ‘lijfeigenen’genoemd, moesten het land bewerken en mochten het dorp niet verlaten.
Ze moesten heel hard werken. Een groot deel van de oogst was voor de kasteelheer. Elk jaar betaalden deze boeren de 'jaarpacht'. Dat was een soort belasting. In ruil daarvoor mochten ze wonen op het land van de kasteelheer en werden ze door hem beschermd.
Er waren ook vrije boeren. Zij hadden het iets beter. Maar ook zij moesten ‘belasting’ betalen om bescherming te genieten van de kasteelheer. Zij werkten ook mee aan de bouw en het onderhoud van wegen, bruggen en het kasteel.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||