De inheemse dorpjes.
(in de Romeinse tijd)
Inheems is een ander woord voor oorspronkelijk. Dus de inheemse dorpjes waren de dorpjes van de oorspronkelijke bewoners van Nederland: de Germanen.
Verspreid over het platteland lagen vele kleine boerendorpen. Deze bestonden uit drie tot vijf boerderijen.
De bewoners waren van oorsprong
Germanen, maar namen enkele gewoonten over van hun Romeinse overheersers. Ze
bleven echter meer Germaans dan Romeins.
De boeren verkochten hun landbouwproducten (graan, vlees, melk enz.) in de wegdorpen of aan de villa-eigenaars. Dat gebeurde meestal via ruilhandel. Muntgeld gebruikte men bijna nooit. De inwoners van deze inheemse dorpen waren voor luxe producten zoals glas afhankelijk van de wegdorpen.
De mensen ruilden spullen. Ze gebruikten dus geen geld om te betalen, maar voorwerpen of dieren of bezittingen of eigengemaakte producten. Zo kon de boer bijvoorbeeld een mooie bronzen schaal voor zijn lieve boerin ruilen tegen 10 eieren, een kilo tarwe en een stuk vlees van de koe.
De handelaar kon zodoende weer eten en de boer maakte zijn vrouw blij. Iedereen blij en tevreden.