Dieren in het bos

In het bos vind je niet alleen planten en bomen. Er leven ook dieren. Hele kleine dieren, maar ook grotere.

Soorten

Er zijn verschillende soorten dieren. Planteneters, vleeseters en alleseters.
Er leven heel veel soorten planteneters. Bijvoorbeeld reeën, konijnen, rupsen en muisjes. Zij leven van plantaardig voedsel. Je kunt daarbij denken aan bladeren, stengels van planten, vruchten, wortels en boomschors.
Als er alleen maar planteneters in een bos leven, is het binnen de kortste keren gedaan met alle bomen, struiken en planten. Dan zouden de planteneters vrij spel hebben en zou er geen groen meer te vinden zijn  in het bos. Gelukkig maar, dat er ook nog vleeseters en alleseters zijn.

Vleeseters eten namelijk andere dieren, waaronder veel planteneters. Het zijn dus echte rovers (roofdieren). Zij zorgen er dus voor dat er niet te veel planteneters komen. De vos is een voorbeeld van een vleeseter. Maar ook spinnen, uilen en buizerds zijn vleeseters.

Alleseters eten dieren èn plantaardig voedsel. Een paar bekende voorbeelden zijn: merels, die regenwormen en vruchten eten en eekhoorntjes, die eikels en eieren van vogels eten.

 

Voedselketen

Een sprinkhaan eet gras. Een kikker eet de sprinkhaan. Een roofvis eet een kikker en de mens eet de vis. Hieronder zie je de plaatjes staan:

We noemen zo'n reeks een voedselketen.

Als er een ding in de omgeving verandert, dan kan het hele milieu veranderen. Stel je voor dat het gras vervuild is:
Het vervuilde gras wordt gegeten door de sprinkhaan. De zieke sprinkhaan wordt opgegeten door de kikker. Die wordt daar weer ziek van en valt ten prooi aan een roofvis (bijvoorbeeld een snoek). De zieke vis wordt op zijn beurt door mensen opgegeten en die worden er erg ziek van. Zo zie je dat ook mensen ziek kunnen worden van vervuild gras. Ook al eten we zelf geen gras.

In de natuur staat niets los van elkaar. Hieronder zie je in een voedselnet wie ten prooi valt aan wie. Het is dus belangrijk dat de natuur in evenwicht is.


Een voedselnet

 

Ook kun je aan het laatste plaatje (een voedselpiramide) het een en ander zien. Als er een roofvogel (sperwer) in de buurt leeft, dan moeten en meerdere prooidieren (kleinere vogels: meesjes, roodborstjes, mussen) voorkomen in hetzelfde gebied. De roofvogel eet namelijk meerdere prooidieren. Al die prooidieren hebben veel voedsel nodig. Zij eten insecten. Om in leven te blijven, moeten ze vele insecten eten. Dus die zijn er nog veel meer in dat leefgebied. De insecten eten planten. Al die insecten samen eten er zelfs een heleboel. Daarom moeten er ook veel planten in het leefgebied van een sperwer zijn. Ook al eet de sperwer er zelf geen.
 


Een voedselpiramide

 

Verstoppertje

Er wonen dus veel dieren in het bos. Ze wonen er ook goed beschut tegen de wind en de kou. Het bos biedt de dieren beschutting. Ze kunnen zich er goed verschuilen. Dat is ook nodig ter bescherming van de dieren.

Dieren zijn heel erg schuw. Ze verstoppen zich dus graag. Maar als je goed kijkt en luistert, kun je de dieren toch ontdekken. Je moet dan goed op de sporen letten. Denk maar eens aan het eten (b.v. dennenappels) en de uitwerpselen (b.v. keutels) en de pootafdrukken die ze achterlaten

Terug